Uitvoering motie-Dittrich (TK 28000, VI, nr. 34): verzoek om notitie over het spanningsveld tussen de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en het non-discriminatiebeginsel
Bij de behandeling in november 2001 van de Justitiebegroting 2002 vroeg het TK-lid Dittrich (D66) – naar aanleiding van de vraag of strafvervolging zou worden ingesteld tegen de Rotterdamse imam El Moumni wegens diens uitspraken over homoseksuelen – om een notitie “over het spanningsveld tussen vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en het non-discriminatiebeginsel […], waarin ook op de jurisprudentie wordt ingegaan, de praktijk van het aangifte doen en de antidiscriminatiebureaus daarbij te betrekken in de hoop dat nu voor iedereen het zeer ingewikkelde gebied wat duidelijker wordt”. De Kamerleden Van der Staaij (SGP), Rouvoet (ChristenUnie), Van Oven (PvdA) en Halsema (GroenLinks) reageerden op dit pleidooi.
Minister Korthals antwoordde schriftelijk dat de materie voldoende aan bod zou komen in de beantwoording van het verslag en de aanvullende vragen over het wetsvoorstel inzake structurele discriminatie (Kamerstukken II, 27792).
Dittrich vond deze toezegging te mager en diende een door Van Oven (PvdA) en Nicolaï (VVD) mede-ondertekende motie in waarin werd verzocht om de Kamer een notitie te sturen, waarin ingegaan wordt op het spanningsveld dat bestaat tussen de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en het non-discriminatiebeginsel en waarin de regering aangeeft op welke wijze de grondwettelijke vrijheden van meningsuiting en godsdienst beleefd kunnen worden zonder mensen vanwege hun homoseksuele geaardheid te discrimineren, waarbij de relevante jurisprudentie wordt betrokken. Minister Korthals van Justitie gaf in zijn tweede termijn weer aan dat op deze materie zou worden ingegaan in antwoord op vragen, gesteld bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake structurele discriminatie. Hij zei aan de motie-Dittrich c.s. geen behoefte te hebben.
De Kamer aanvaardde de motie Dittrich op 13 november 2001 met de stemmen van SP, PvdA, D66, VVD en CDA; de andere fracties stemden tegen.
Minister Korthals negeerde de wens van de indieners, dat de materie zou worden behandeld in een aparte kabinetsnotitie en vervatte zijn beschouwingen terzake in de door hem aangekondige nota.
Dittrich nam hiermee geen genoegen en stelde op 9 april 2002 in een Kamerdebat n.a.v. de rechterlijke uitspraak in de zaak-El Moumni dat de regering nog geen uitvoering had gegeven aan zijn motie. Hij kreeg bijval van Rehwinkel (PvdA). Op voorstel van de Kamervoorzitter werd besloten het stenogram van dit deel van de vergadering door te zenden naar het kabinet.
Minister Korthals antwoordde bij brief van 17 april 2002 dat de motie-Dittrich c.s. al was uitgevoerd door opname van de gevraagde beschouwingen in de nota n.a.v. het verslag op het wetsvoorstel verhoging strafmaat bij structurele vormen van discriminatie.
Follow up: zie ons dossier over de voorbereiding van een Nota Grondrechten in een pluriforme samenleving
|